achter je oogleden worden
kinderen ongeneeslijk ziek
ik ben de dokter
van de winter
in mijn kijkinstrument
- in mijn woorden in de verte -
verschijnt de medicijnman
in zijn handen een vaas
waar dronken mannen uit druppelen
de bomen van het noorden
eenmaal thuis
als we van de trap afglijden
beloof ik je mijn hoed boven je hoofd te houden
de zwaartekracht in je handpalm te verstoppen
liefdevolle versjes je oor in te fluisteren
sneeuwkristallen je iris in te begraven
ga op mijn schouder staan
om de ijsberg te pakken
van alles wat we over elkaar te zeggen hebben
laat achter je oogleden
kinderen genezen
ik ben de dokter
van de winter
woensdag 28 november 2012
Schelpenbad
de vleugel van je bewustzijn is
een hoopje schelpen
je opent ze en water stroomt
je zet ze aan je oor en
je hoort water stromen
er zijn in diepe dalen
bestaande uit zandhopen
geen enkele vooroordelen over
wie je bent
alleen in de context
van de paarse veer
weet je wie je bent
je slaat hem om je heen
voelt je hoofd draaien
je zegt
"een glazen huis met water
is mijn thuis
het kolkt er en
het stroomt mijn oren uit"
je snavel pikt
klinkt als een sonnet
tikkende tegen het raam
je zegt
"een bad met schelpen
is mijn thuis
het ruist er
maar onder veren
ga ik stilletjes slapen"
een hoopje schelpen
je opent ze en water stroomt
je zet ze aan je oor en
je hoort water stromen
er zijn in diepe dalen
bestaande uit zandhopen
geen enkele vooroordelen over
wie je bent
alleen in de context
van de paarse veer
weet je wie je bent
je slaat hem om je heen
voelt je hoofd draaien
je zegt
"een glazen huis met water
is mijn thuis
het kolkt er en
het stroomt mijn oren uit"
je snavel pikt
klinkt als een sonnet
tikkende tegen het raam
je zegt
"een bad met schelpen
is mijn thuis
het ruist er
maar onder veren
ga ik stilletjes slapen"
donderdag 4 oktober 2012
Nieuw hemellichaam
een nieuwe rood glinsterende regen
op het beton op de muur
glijdt als een staar door me heen
als bestonden we niet
laat me hier even schuilen
onder die kinderdag
overhandig me een onbezonnen bos
om in te dwarrelen
te draaien
een dijk te bouwen in de beek
van groen, kalm en blauw
overhandig me een sieraad van blad
wrijvend om mijn enkels
of een lijf als het gras
totdat
een siervrucht mijn kleine bol ontspruit
mijn hart wordt als de waterval
stromend door botten en huid
daar
onder water
in de lagune
wordt me op een rood kussentje
een gravure van je kus gebracht
word ik bevangen
door de zuurstof die ik inadem: jouw adem
langzaam maar zeker
ontstaan wij
verschijnt er
in een kinderhand
een wens
een nieuw hemellichaam
op het beton op de muur
glijdt als een staar door me heen
als bestonden we niet
laat me hier even schuilen
onder die kinderdag
overhandig me een onbezonnen bos
om in te dwarrelen
te draaien
een dijk te bouwen in de beek
van groen, kalm en blauw
overhandig me een sieraad van blad
wrijvend om mijn enkels
of een lijf als het gras
totdat
een siervrucht mijn kleine bol ontspruit
mijn hart wordt als de waterval
stromend door botten en huid
daar
onder water
in de lagune
wordt me op een rood kussentje
een gravure van je kus gebracht
word ik bevangen
door de zuurstof die ik inadem: jouw adem
langzaam maar zeker
ontstaan wij
verschijnt er
in een kinderhand
een wens
een nieuw hemellichaam
zaterdag 29 september 2012
Hekwerk tussen de wind en de zee
een lijst met stemmen
van overleden vaderen
fluisterend over eenden
vliegend in de wind
water van bladeren
stroom van vederen
achter gordijnen
van zacht doorschijnende muziek
gaat een silhouet verscholen
een poel met een vergeten verhaal
van een kind
spelend op de piano
verdrinkend in zijn toonladders
een oorlog vergetend
ver weg draagt een tank een roze bloem
rottende rupsbanden rollen door de straat
jellende kinderen volgen gehoorzamend
Het gouden ei op het plein
de massas gaan op de knieen
straatstenen verhoren gebeden
een manuscript
een levenswerk vernield
een leven op papier in brand
in de straten dwalen gekken
de dwazen zijn iedereen te slim af
ze bouwen een hekwerk
ze bouwen een hekwerk
tussen een boom en een rots
tussen de wind en de zee
een hamer glijdt van de schoorsteenmantel
de ijzeren tobbe in
op het wateroppervlak
blijft de levensslinger drijven
geduldig wachtend
staat een wieg in de vensterbank
een kind van het plein
ligt lief te slapen
een moeder staat verbaasd aan het roer
ze zorgt voor iedereen
ze moet voor iedereen zorgen
zondag 12 augustus 2012
Schaken met de nacht
ik slaap hier in de stad
in de vensterbank liggen eieren te slapen
op het plein vliegt een paard
twee meter hoog in een straal van goud
tussen bladeren vind je de zon
op de pier ga ik te water
soms
als de stroom koers zet naar de kust
ga ik de stenen een bezoekje brengen
als een oester kruip ik in de diepte
bevangen door een benauwdheid
breken de stenen mijn schaal
ontvangt mijn huis een zeepaard's traan
als een blad opent mijn oog
open ik mezelf als in een droom
speel ik schaak met de nacht
duik ik onder dekens van groen en blauw
verblind ik de maan met mijn parels
worden zeilen gekroond door de zon
in de vensterbank liggen eieren te slapen
op het plein vliegt een paard
twee meter hoog in een straal van goud
tussen bladeren vind je de zon
op de pier ga ik te water
soms
als de stroom koers zet naar de kust
ga ik de stenen een bezoekje brengen
als een oester kruip ik in de diepte
bevangen door een benauwdheid
breken de stenen mijn schaal
ontvangt mijn huis een zeepaard's traan
als een blad opent mijn oog
open ik mezelf als in een droom
speel ik schaak met de nacht
duik ik onder dekens van groen en blauw
verblind ik de maan met mijn parels
worden zeilen gekroond door de zon
donderdag 14 juni 2012
Onder serene bloemen
jaren van verlangen
in borrelende havens
waar de kapitein ten gronde gaat
en ankers aanzwengelen
naar linnen hemelen
tot de sterren
een oogje in het zeil houden
het advies geven
met beide benen aan boord te gaan
in een geur
van net na de regen
in het lentegevaar
zullen we verdrinken
in een bol van dauw
met witte lakens over ons heen
zijn wij één met het schip
jij de oppervlakte
ik de masten
omvallend in een storm
kom ik naar je terug gekropen
over gespreide handdoeken van rood
rinkelt in de toekomst
een kus van muziek
op een wolk
miauwt een kat
een vredig huis
boven ons hoofd
een lief kind
in een zwaai van een schommel
in licht geel gras
hoog
waar we in rollen
en de jaren vieren
met glazen vol levensvreugde
drink jij op mij
ik op jij
wij op ons
wij zijn ons
in het gras
zijn wij gras
stengels verweven
met haar onder dekens
van liefde ga ik slapen
vierkant vlechtwerk boven mijn lijf
in een cirkel in mijn hart
speelt een laatste figuur
een lied over schrijvers
met een tragische dood
over het tegemoet gaan
van paarden op steppes
in de wind
waar ze vallen
op papieren velden
staat een epos geschreven
een werk van een beeld
begraven op ons erf
achterop werd je meegenomen
naar oorden
op heuvels
werd je beschermd
door de cavalerie van mijn geweten
een slagveld
van naar elkaar wijzende vingers
in het dal werden wij verenigd
met ringen om onze heup
werden wij omhoog gehaald
aan touwen
dwaalden we in bed
met eronder een feeks
die geen feeks wilde zijn
ze wilde ons overtuigen
van dunne stroken van heiligheid
waar ze in dwarrelde
als een veer
als de reinheid zelve
geen hout
geen opgelicht huis
een slapend kind
een wang roze van onschuld
de lucht zwelt op
de maan rakelt een schip op
de feeks verdwaalt
we zijn samen met paarden
en gewetenlozen
in een rivier die uitmondt
in lijven vol bloemen
bedolven in water
gaan we ten onder
met de mensheid
van bakkers en slagers
die een mes laten vallen
een symbool van het lot
ruikt naar een begin
van vers
een begin
onder groen
slapen wij
vredig
onder hetzelfde dak
onder serene bloemen
in borrelende havens
waar de kapitein ten gronde gaat
en ankers aanzwengelen
naar linnen hemelen
tot de sterren
een oogje in het zeil houden
het advies geven
met beide benen aan boord te gaan
in een geur
van net na de regen
in het lentegevaar
zullen we verdrinken
in een bol van dauw
met witte lakens over ons heen
zijn wij één met het schip
jij de oppervlakte
ik de masten
omvallend in een storm
kom ik naar je terug gekropen
over gespreide handdoeken van rood
rinkelt in de toekomst
een kus van muziek
op een wolk
miauwt een kat
een vredig huis
boven ons hoofd
een lief kind
in een zwaai van een schommel
in licht geel gras
hoog
waar we in rollen
en de jaren vieren
met glazen vol levensvreugde
drink jij op mij
ik op jij
wij op ons
wij zijn ons
in het gras
zijn wij gras
stengels verweven
met haar onder dekens
van liefde ga ik slapen
vierkant vlechtwerk boven mijn lijf
in een cirkel in mijn hart
speelt een laatste figuur
een lied over schrijvers
met een tragische dood
over het tegemoet gaan
van paarden op steppes
in de wind
waar ze vallen
op papieren velden
staat een epos geschreven
een werk van een beeld
begraven op ons erf
achterop werd je meegenomen
naar oorden
op heuvels
werd je beschermd
door de cavalerie van mijn geweten
een slagveld
van naar elkaar wijzende vingers
in het dal werden wij verenigd
met ringen om onze heup
werden wij omhoog gehaald
aan touwen
dwaalden we in bed
met eronder een feeks
die geen feeks wilde zijn
ze wilde ons overtuigen
van dunne stroken van heiligheid
waar ze in dwarrelde
als een veer
als de reinheid zelve
geen hout
geen opgelicht huis
een slapend kind
een wang roze van onschuld
de lucht zwelt op
de maan rakelt een schip op
de feeks verdwaalt
we zijn samen met paarden
en gewetenlozen
in een rivier die uitmondt
in lijven vol bloemen
bedolven in water
gaan we ten onder
met de mensheid
van bakkers en slagers
die een mes laten vallen
een symbool van het lot
ruikt naar een begin
van vers
een begin
onder groen
slapen wij
vredig
onder hetzelfde dak
onder serene bloemen
dinsdag 22 mei 2012
Moira
Een modern sprookje
In haar gedachten verzamelde een meisje genaamd Moira met haar ene hand brandende hoepels om er doorheen te springen. In haar andere hand hield ze stevig haar pop vast met strikjes in het haar. Met het ene been stond ze stevig op de stenen achterop het erf, met haar andere been vloog ze in haar verbeelding door de hoepels heen. Dit alles terwijl haar gedachten als een donderslag omsloegen naar haar onlangs overleden moeder en zo richtte ze instinctief, alsof iemand haar roep zich zo te gedragen, haar gezichtje naar de zon. Ze herinnerde de zon als het pictogram van de allereerste samenleving op aarde en dat ze daar God en de hemel mee uitbeeldde. Zonnestralen straalden op dat moment over haar gezichtje, als een knipoog van haar moeder. Ze besefte dat de zon rond was, eenheid uitstraalde, dat alles en iedereen verbonden was met elkaar en hoe ze zo contact had met zowel haar gedachten als met haar fysieke handen en benen. Hoe haar moeder nog steeds onderdeel was van haarzelf.
Voor heel even wilde ze ontzettend graag de tijd terug draaien om haar moeder weer te zien. Maar ze overtuigde zich ervan dat tijd geen enkele rol hoorde te spelen. Het leek namelijk even alsof de stenen waar ze overheen huppelde zich in een andere tijdsdimensie bevonden en net zo goed leefden, maar dan velen jaren langer dan haarzelf. Ze begreep dat acceptatie het sleutelwoord was en dat het zaak was haar omgeving en alles en iedereen te omarmen en te vertrouwen.
Nog niet lang geleden hoorde ze haar oom vertellen dat de mens slecht was, intrinsiek slecht, maar hoe kon ze dat dan geloven als ze van binnen geen slechte gedachten had. Of was dat soms niet zo? Hoe zou slecht überhaupt te meten zijn? Is slecht een huisdier kopen om die vervolgens in een sloot te verdrinken? Is slecht zijn alles en iedereen opsluiten om zo alle mysterie te vangen in je vuist? Zijn dat dan slechte gedachten? Wat als alles geoorloofd was zodra God en de zon er niet meer waren? Maar het deed er voor haar niet toe of deze er voor haar waren. Ze wist dat ze één was, zowel met haar pop als met haar moeder, simpelweg door zich te bewegen door de ruimte en te zijn en te beseffen dat slecht slechts een creatie, een bijeffect van goed is. Bij iedere hoepel waar ze doorheen sprong verzekerde ze zich ervan dat ondanks het gegeven dat er slechte gedachten bestonden, ze altijd de goede zou dienen.
Met deze gedachten huppelde ze alsmaar verder de stenen over totdat Moira zo ver van het erf verwijderd was dat ze was verdwaald. De duisternis omhulde haar toen ze haar gezichtje naar de verre sterren richtte die haar vol liefde aan leken te kijken. De stenen onder haar hielden op een gegeven moment op en zo bevond ze zich aan de rand van een diep ravijn. Tegelijkertijd voelde ze zich verankerd tot de stenen als opgestegen naar de sterren. Ze besefte dat ze nog één brandende hoepel door moest om samen met haar moeder te zijn, ook al was ze ervan overtuigd dat ze dat al was, want als alles één is, dan is alles niets. En met deze gedachten hield ze in haar ene hand stevig haar pop vast, in haar andere een brandende hoepel. Haar ene been sprong er doorheen en uiteindelijk verliet ook het andere been de stenen. Ze wist dat ze goed deed. Ze vertrouwde namelijk alles en iedereen, zo ook haar gedachten als haar vlucht en zo werd ze één met de stenen, de sterren, met jij en ik en alles er tussenin. Voor eens en altijd.
Tegenwoordig, wanneer we ons voor een ravijn bevinden, waar de wereld zich voor ons opent en we hemel en aarde kunnen overzien, herdenken we het meisje Moira die in ons huist, haar lot en ons uiteindelijke lot.
In haar gedachten verzamelde een meisje genaamd Moira met haar ene hand brandende hoepels om er doorheen te springen. In haar andere hand hield ze stevig haar pop vast met strikjes in het haar. Met het ene been stond ze stevig op de stenen achterop het erf, met haar andere been vloog ze in haar verbeelding door de hoepels heen. Dit alles terwijl haar gedachten als een donderslag omsloegen naar haar onlangs overleden moeder en zo richtte ze instinctief, alsof iemand haar roep zich zo te gedragen, haar gezichtje naar de zon. Ze herinnerde de zon als het pictogram van de allereerste samenleving op aarde en dat ze daar God en de hemel mee uitbeeldde. Zonnestralen straalden op dat moment over haar gezichtje, als een knipoog van haar moeder. Ze besefte dat de zon rond was, eenheid uitstraalde, dat alles en iedereen verbonden was met elkaar en hoe ze zo contact had met zowel haar gedachten als met haar fysieke handen en benen. Hoe haar moeder nog steeds onderdeel was van haarzelf.
Voor heel even wilde ze ontzettend graag de tijd terug draaien om haar moeder weer te zien. Maar ze overtuigde zich ervan dat tijd geen enkele rol hoorde te spelen. Het leek namelijk even alsof de stenen waar ze overheen huppelde zich in een andere tijdsdimensie bevonden en net zo goed leefden, maar dan velen jaren langer dan haarzelf. Ze begreep dat acceptatie het sleutelwoord was en dat het zaak was haar omgeving en alles en iedereen te omarmen en te vertrouwen.
Nog niet lang geleden hoorde ze haar oom vertellen dat de mens slecht was, intrinsiek slecht, maar hoe kon ze dat dan geloven als ze van binnen geen slechte gedachten had. Of was dat soms niet zo? Hoe zou slecht überhaupt te meten zijn? Is slecht een huisdier kopen om die vervolgens in een sloot te verdrinken? Is slecht zijn alles en iedereen opsluiten om zo alle mysterie te vangen in je vuist? Zijn dat dan slechte gedachten? Wat als alles geoorloofd was zodra God en de zon er niet meer waren? Maar het deed er voor haar niet toe of deze er voor haar waren. Ze wist dat ze één was, zowel met haar pop als met haar moeder, simpelweg door zich te bewegen door de ruimte en te zijn en te beseffen dat slecht slechts een creatie, een bijeffect van goed is. Bij iedere hoepel waar ze doorheen sprong verzekerde ze zich ervan dat ondanks het gegeven dat er slechte gedachten bestonden, ze altijd de goede zou dienen.
Met deze gedachten huppelde ze alsmaar verder de stenen over totdat Moira zo ver van het erf verwijderd was dat ze was verdwaald. De duisternis omhulde haar toen ze haar gezichtje naar de verre sterren richtte die haar vol liefde aan leken te kijken. De stenen onder haar hielden op een gegeven moment op en zo bevond ze zich aan de rand van een diep ravijn. Tegelijkertijd voelde ze zich verankerd tot de stenen als opgestegen naar de sterren. Ze besefte dat ze nog één brandende hoepel door moest om samen met haar moeder te zijn, ook al was ze ervan overtuigd dat ze dat al was, want als alles één is, dan is alles niets. En met deze gedachten hield ze in haar ene hand stevig haar pop vast, in haar andere een brandende hoepel. Haar ene been sprong er doorheen en uiteindelijk verliet ook het andere been de stenen. Ze wist dat ze goed deed. Ze vertrouwde namelijk alles en iedereen, zo ook haar gedachten als haar vlucht en zo werd ze één met de stenen, de sterren, met jij en ik en alles er tussenin. Voor eens en altijd.
Tegenwoordig, wanneer we ons voor een ravijn bevinden, waar de wereld zich voor ons opent en we hemel en aarde kunnen overzien, herdenken we het meisje Moira die in ons huist, haar lot en ons uiteindelijke lot.
Abonneren op:
Posts (Atom)